Waarderingen

Het waarderen van een onderneming is geen gemakkelijke aangelegenheid. Specialistische kennis is vereist om tot een wetenschappelijk goed onderbouwde waardering te komen. Wij werken met adviseurs met de afgeronde post academische opleiding Business Valuation.

Waarde en prijs zijn twee verschillende zaken. In tegenstelling tot de waarde kan de prijs van een onderneming niet op voorhand door het toepassen van formules bepaald worden. De prijs komt tot stand door marktwerking, d.w.z. de overeenstemming tussen verkoper en koper, welke wordt beïnvloed door tal van factoren (relatie koper en verkoper, één of meerdere gegadigden, fiscale consequenties, financiële positie koper, etc.).

 

De twee bekendste en meest gebruikte waarderingsmethoden:

 

Rentabiliteitsmethode

De rentabiliteitswaarde-methode gaat ervan uit dat de waarde van een onderneming gelijk is aan de waarde van een eeuwigdurende resultatenstroom. Er wordt dan uitgegaan van een in de toekomst te verwachten genormaliseerde nettowinst. Deze winst kan worden afgeleid uit het gemiddeld behaalde en/of het gemiddeld haalbare genormaliseerde resultaat. Hieruit blijkt tevens dat deze methode vooral toepasbaar is voor ondernemingen waarbij sprake is van een redelijk stabiel beeld in de ontwikkeling van de toekomstige omzet en resultaten.

Teneinde een reële rentabiliteitswaarde te bepalen, dient een aantal correcties plaats te vinden. Allereerst dienen de boekhoudkundige resultaten genormaliseerd te worden, waarbij de incidentele baten en lasten worden geëlimineerd. Van de nu bepaalde historische en toekomstige resultaten wordt vervolgens het, eventueel gewogen, gemiddelde bepaald. De methode veronderstelt dat dit resultaat representatief is als eeuwigdurende resultatenstroom. Geen rekening wordt gehouden met toekomstige winstinhoudingen, uitbreidingsinvesteringen en de daaruit volgende winstgroei.

Daarnaast wordt een correctie gehanteerd voor de gewenste verhouding tussen eigen en vreemd vermogen. Dit is de verhouding die in de bedrijfstak als ‘normaal’ wordt ervaren. Indien er sprake is van ‘ondervermogen’, wordt het tekort aan eigen vermogen aangepast tot de gewenste vermogensverhouding. De resultatenrekening wordt dan tevens genormaliseerd voor lagere rentekosten. In geval van oververmogen vindt analoog een correctie plaats. Eventueel onder- of oververmogen dient op de rentabiliteitswaarde te worden gecorrigeerd.

Vervolgens wordt, teneinde de rentabiliteitswaarde te bepalen, het genormaliseerde netto resultaat contant gemaakt door dit resultaat te vermenigvuldigen met een rentabiliteitsmultiplier. Deze multiplier is de reciproke van de rentabiliteitseis van de (ver)koper. De rentabiliteitseis is de vergoeding die een (toekomstige) aandeelhouder wenst te ontvangen voor de risico’s die samenhangen met de investering.

Hier uit zich een tekortkoming van deze methode, en wel dat voorbij wordt gegaan aan het onderscheid tussen investerings- en financieringsbeslissingen. Immers, bij de berekening van de waarde zijn de lasten verbonden aan de financiering met vreemd vermogen reeds verwerkt. Zo kan er geen onderscheid worden gemaakt tussen het risico gelegen in de investering in de onderneming, het bedrijfsrisico, en het risico verbonden aan de financiering van die investering, het financiële risico.

 

Discounted Cash Flow methode

De cash flows worden berekend door de winst na belastingen te nemen, geen rekening te houden met interest, en deze gecorrigeerde netto winst aan te passen voor afschrijvingen en andere baten en lasten in een jaarrekening, die niet het karakter van uitgaven of inkomsten hebben. Vervolgens worden correcties aangebracht voor investeringen in vaste activa en in werkkapitaal om zo de vrij beschikbare kasstroom te kunnen berekenen. De aldus berekende vrije beschikbare cashflows worden contant gemaakt tegen de gemiddelde vermogens kostenvoet (Weighted Avarage Cost of Capital afgekort WACC) en vormen de waarde van de in de onderneming aanwezige activa.

Pas nadat de economische waarde van de activa berekend is wordt de marktwaarde van de aanwezige rentedragende schulden hiervan afgetrokken om tot de waarde van de aandelen te komen. Eventuele aanwezige overtollige liquide middelen en andere activa die niet voor de bedrijfsuitvoering benodigd zijn, moeten worden bijgeteld.

 

Berekening rentabiliteitseis op het eigen vermogen

  • Bij het bepalen van het vereiste rendement op het eigen vermogen wordt rekening gehouden met de volgende elementen:
  • Risicovrij rendement
  • Marktrisicopremie
  • Ondernemersrisico of Small Firm Premie
  • Branche risico

 

Risicovrij rendement

Onder risicovrij rendement wordt verstaan het rendement dat op langlopende staatsobligaties wordt behaald. In de praktijk wordt hiervoor vaak gebruik gemaakt van het gemiddelde rendement van staatsobligaties of het rendement van de vijf langstlopende staatsobligaties. Dit rendement kan worden gerealiseerd zonder enige vorm van risico te lopen.

 

Marktrisico premie

De marktrisico premie is de vergoeding die belegger willen krijgen omdat ze beleggen in aandelen van risicovolle bedrijven. Voor dit extra risico wil de belegger extra rendement. In de praktijk wordt de risicopremie gebaseerd op het rendement van de aandelenkoersen waarbij de gehanteerde periode een zeer lange periode is. Op basis van onderzoeken wordt vaak een marktrisico premie gehanteerd van vijf tot zes procent.

 

Ondernemersrisico of Small Firm Premie

Het ondernemingsrisico, ook wel Small Firm Premie genoemd, is de additionele vergoeding die vermogensverschaffers willen krijgen voor het extra risico dat zij lopen door in een specifieke, kleinere onderneming te investeren. Sinds enige jaren wordt in de praktijk gebruik gemaakt van het Small firm Premie model. Hierbij zijn vijf criteria te onderscheiden, waaraan een waarde gehecht kan worden tussen 0 en 1. De waarde 0 geeft aan dat er geen risico aanwezig is, 0,5 geeft aan dat er geen verhoogd risico aanwezig is en 1 geeft aan dat de er grote risico’s aanwezig zijn.

 

Branche risico

Bij het bepalen van het vereiste rendement op het eigen vermogen wordt verondersteld dat de waarde van aandelen afhankelijk is van de branche waarin de onderneming actief is. Om dit risico te bepalen wordt vaak gebruik gemaakt van de branche bèta . Als de branche bèta groter is dan 1, heeft de branche een verhoogd risico. Zo heeft de bouwbranche een branche bèta die duidelijk hoger is dan één.

Het is een probleem om goede branche bèta’s voor Nederland te krijgen. Voor ondernemingen die internationaal werkzaam zijn, kunnen internationale (wereldwijde) bèta’s opgevraagd worden bij gespecialiseerde bureau’s.

 

Weighted Average Cost of Capital

De Weighted Average Cost of Capital (WACC) wordt bepaald aan de hand van de rendementseis op het eigen vermogen als het geëiste rendement op vreemd vermogen (zeven procent) in combinatie tot de verhouding vreemd vermogen ten opzichte van totaal vermogen (debt ratio).

 

WACC = Rev * (EV / TV) + Rvv * (VV / TV) * (1-Vpb)

 

Afhankelijkheid van het management

De mate waarin de onderneming afhankelijk is van de DGA, in hoeverre er een tweede echelon aanwezig is, maar bijvoorbeeld ook in welke mate het management in staat is om in tijden van economische tegenslag de onderneming winstgevend te maken.

 

Verkoopbaarheid

De mogelijkheid om de aandelen van de onderneming (op termijn) weer te kunnen verkopen.

 

Risicospreiding in activiteiten

Er wordt verondersteld dat een onderneming die afhankelijk is van één activiteit, een hoger risicoprofiel heeft dan indien er spreiding van activiteiten is. 

 

Marktpositie van de onderneming

De marktpositie betreft het marktaandeel (landelijk, regionaal of lokaal), maar ook het feit in hoeverre de onderneming actief beleid kan bepalen of meer passief (grotere) concurrenten moet volgen. 

 

Toetredingsbarrières tot de markt

Als het voor concurrenten eenvoudig is (vestigingseisen, investeringen) om op korte termijn dezelfde positie te realiseren heeft de onderneming een verhoogd risicoprofiel.

 

Aangemerkt dient te worden dat deze methode, hoewel Small Firm Premie uitgelegd kan worden als MKB-aspecten, zich in het bijzonder richt op middenbedrijven en niet specifiek op MKB bedrijven. Hiervoor zij twee redenen aan te voeren. Ten eerste is de groep ondervraagden voornamelijk werkzaam in de segmenten middelgroot en groot. Ten tweede bepaalt deze methode het REV vanuit het gezichtspunt van de belegger en niet vanuit de optiek van de ondernemer.

 

 

afspraakmakenarrow

 

 

 

 

 

kaart arrow

Neem contact op 

Vul het onderstaande formulier in en we nemen 
zo spoedig mogelijk contact met je op.